Inschatten van zekerheid in obsessieve-compulsieve stoornis

Mensen die lijden aan een obsessieve-compulsieve stoornis (obsessive-compulsive disorder, kortweg OCD) voelen zich gedwongen om bepaalde handelingen uit te voeren. Ze voeren bijvoorbeeld bepaalde rituelen uit zonder logische reden. Denk aan het herhaaldelijk controleren of alle ramen en deuren gesloten zijn, of het wassen van de handen nadat iets aangeraakt werd. Deze compulsieve handelingen hebben vaak een erg negatieve invloed op het leven van deze mensen. Ze ervaren het zelf als een grote bron van stress.

Een interessant aspect van deze aandoening is dat mensen die lijden aan OCD vaak erg goed beseffen dat hun compulsieve handelingen irrationeel zijn. Iemand die elke ochtend vijf maal door het huis loopt om te controleren of alle ramen en deuren gesloten zijn, beseft meestal dat dit vier maal te veel is. Ondanks dat besef is de drang toch te sterk om nog vier maal de ramen en deuren te controleren. Vandaar komt ook de naam: obsessief compulsief.

In een recente studie voerden onderzoekers van Cambridge University (1) een experiment uit om te testen of mensen die lijden aan OCD inderdaad een soort dissociatie hebben tussen het ervaren van hun omgeving en hoe ze omgaan met deze ervaring. De onderzoekers testten 24 mensen met OCD en 25 gematchte controleproefpersonen en dit terwijl ze een computerspel speelden. In het spel liet een helikopter noodpakketten vallen, en de deelnemers probeerden zoveel mogelijk pakketten op te vangen door te gokken waar die zouden vallen (2). Bij een verkeerde gok viel het pakket op de grond en ging de inhoud verloren. Het spel was relatief complex: door de wind slaagde de helikopter er nooit in om de pakketten op exact dezelfde plaats te laten vallen. Daarnaast veranderde de helikopter regelmatig van locatie. De deelnemers moesten dus voortdurend afwegen of afwijkingen van hun voorspelling te wijten waren aan de wind (en dus genegeerd mochten worden) of dat de helikopter een nieuwe locatie had gekozen (en ze dus best rekening hielden met een eventuele nieuwe locatie bij de volgende voorspelling).

Voor de helikopter te zien was, werd telkens gevraagd aan de deelnemers hoe zeker ze waren dat ze het volgende pakket zouden vangen. Uit de resultaten bleek dat er geen verschil was tussen de OCD – en de controlegroep. Beiden konden even goed inschatten hoe groot de kans was dat ze een noodpakket zouden vangen, gegeven hun gedrag. Die inschatting varieerde dus afhankelijk van de waarschijnlijkheid dat de helikopter zich op een nieuwe locatie bevond. Die gelijke inschatting tussen beide groepen is belangrijk, want we passen ons gedrag aan op basis van dat soort inschattingen. Als we gedurende een periode erg zeker zijn dat we een pakket zullen opvangen, blijven we nauwkeurig op dezelfde plek gokken – terwijl we veel meer zullen variëren van plaats als we onzeker zijn. Tussentijdse conclusie: mensen met OCD zijn niet verstoord in hun vermogen om in te schatten hoe groot de kans op succes is.

In het spel wordt het gedrag van de deelnemers in sterke mate gestuurd door hun onzekerheid: consistent dezelfde locatie kiezen als je erg zeker bent over die locatie en nieuwe locaties uitproberen als je erg onzeker bent. Uit de studie bleek dat dit patroon veel minder voorkwam in de OCD-groep. Zij hielden bij het kiezen van een nieuwe locatie, in vergelijking met de controlegroep, veel meer rekening met de afwijking van de locatie van het vorige pakket. Met andere woorden: als de locatie van een pakket afweek door de wind, gebruikten mensen met OCD die afwijking toch om hun volgende inschatting te maken. Dat is opvallend, want zoals reeds vermeld waren konden de OCD –en de controlegroep even goed inschatten of ze een pakket zouden vangen. Terwijl er bij de deelnemers in de controlegroep een sterk verband was tussen de inschatting van hun zekerheid en het gokken waar het noodpakket zou landen, was dat verband bij de OCD-patiënten veel minder sterk. Deelnemers in de OCD groep maakten hun keuzes veel meer op basis van de grootte van de afwijking in de vorige beurt.

Conclusie: mensen die lijden aan een obsessieve-compulsieve stoornis kunnen de gevolgen van hun gedrag goed inschatten, maar ze gebruiken die inschatting niet om hun gedrag daadwerkelijk bij te sturen. De resultaten van deze studie sluiten aan bij computationele psychiatrie, een nieuwe stroming die psychiatrische aandoeningen probeert te begrijpen vanuit computermodellen, in plaats van op basis van lijsten met symptomen.

 

  1. Vaghi, M. M., Luyckx, F., Sule, A., Fineberg, N. A., Robbins, T. W., & De Martino, B. (2017). Compulsivity Reveals a Novel Dissociation between Action and Confidence. Neuron, 1–7.
  2. Het helikopter verhaal is gebaseerd op McGuire et al. (2014). Hoewel Vaghi et al. een andere cover-story gebruikten, was dit eenvoudiger -en leuker- om de taak uit te leggen.
  3. Bedankt aan Kaat Teerlinck, Fabrice Luyckx en team Breinwijzer voor nuttige feedback.
2017-11-07T15:12:53+00:00 7 november 2017|

About the Author:

Kobe Desender maakt een doctoraat aan de Vrije Universiteit Brussel. Zijn onderzoek gaat over de vraag of we cognitieve controle ook onbewust kunnen uitoefenen.